De geschiedenis van de Hawaïaanse kunst lijkt op een lange golf. Ogenschijnlijk stil, maar gedreven door oude, politieke en spirituele krachten, die tegenwoordig weer opduiken in veilingzalen en musea, zoals blijkt uit de grote tentoonstelling die het British Museum in Londen er momenteel aan wijdt.
Centraal staat een houten beeld, dat van een machtige god – Ku-ka’ilimoku – en om hem heen een constellatie van verzamelaars, handelaars en experts die elk op hun eigen manier het lot van cultusobjecten bepalen. In de 18e eeuw bereikte de figuratieve beeldhouwkunst aan de kust van Kona, in het westen van het eiland Hawaï, een intensiteit die zelden geëvenaard werd in de Stille Oceaan. Ze kristalliseerde zich uit een nu gevestigde stijl, de Kona-stijl, waarvan de beelden, gesneden uit het heilige ‘ohi’a lehua’-hout, een afspiegeling zijn van de gewelddadigheid van de burgeroorlogen en de politieke ambitie van Kamehameha I, de toekomstige vereniger van de archipel.
De oorlogsgod Ku-ka’ilimoku, ‘Ku, de landvreter’, werd toen de spil van een systeem waarin het beeld niet alleen een middel tot devotie was, maar ook een instrument van soevereiniteit. Met kolossale beelden, misvormde gezichten, grijnzende kaken en duizelingwekkende hoofdtooien was beeldhouwkunst een taal van macht, uitgedragen door een elite van priester-beeldhouwers, de ‘kahuna kalai’, wier selectie en opleiding waren onderworpen aan streng geregelde procedures. In de ‘heiau’, tempels gewijd aan de god van de oorlog, hielden beelden de wacht. Ze gaven meteen ook gestalte aan de hiërarchie van een samenleving gestructureerd door het ‘kapu’-systeem, een oude verzameling wetten en religieuze verboden die ‘heilig’ of ‘taboe’ betekenen.